Der Wanderer und sein Schatten
Evenals in zijn bijdrage van 9 maart 2024 (Omvattend ‘Kommentar’ op Nietzsches Zarathustra en andere werken), las Paul van Tongeren een volgend verschenen deel in deze serie van De Heidelberger Akademie der Wissenschaften: Nietzsche-Kommentar: ‘Der Wanderer und sein Schatten’. Voor de lezers van FriedrichNietzsche.nl deelt hij graag zijn toelichting op het ontstaan van deze tekst, hoe deze onderdeel werd van het bekende Menschliches, Allzumenschliches en waarom deze Kommentar uitgave een interessante toevoeging is in het voortschrijdende onderzoek naar Nietzsches werk.
Tekst: Paul van Tongeren
Eerder schreef ik al in meer algemene zin over de reeks Nietzsche-Kommentar, de boeken die het product zijn van een onderzoekproject dat wordt gefinancierd door de Academies van zowel de Bondsrepubliek Duitsland als van verschillende van de Duitse landen en is gehuisvest aan de Universiteit van Heidelberg. Ze bieden ‘omvattende commentaren’ bij Nietzsches werken. Het deel over De wandelaar en zijn schaduw is het meest recente in de nog steeds groeiende reeks.

Der Wanderer und sein Schatten
Dit werk van Nietzsche komen we meestal tegen als onderdeel van het boek Menselijk, Al-te-menselijk (MA). Dat boek, het begin van Nietzsches vrije denken en aforistische schrijven, kennen we tegenwoordig als bestaand uit twee delen, waarvan het tweede deel ook weer twee delen met een eigen titel omvat. De – alles samengenomen – drie delen verschenen aanvankelijk als aparte boeken, met alle een eigen titel, respectievelijk: Menschliches, Allzumenschliches. Ein Buch für freie Geister (1878), vervolgens Vermischte Meinungen und Sprüche (VM) dat in 1879 verschijnt als ‘Anhang’ bij Menschliches, Allzumenschliches en onder diezelfde hoofdtitel. Aan het eind van datzelfde jaar, maar officieel in 1880 verschijnt dan Der Wanderer und sein Schatten (WS). Dat boek wordt onder eigen titel gepubliceerd, en vermeldt slechts in kleine letter op de keerzijde van de titelpagina dat het gaat om een ‘zweiter und letzter Nachtrag zu der früher erschienenen Gedankensammlung Menschliches, Allzumenschliches. Ein Buch für freie Geister. Pas in 1886 verschijnen de drie boeken samen, in een ‘tweede uitgave’ onder de hoofdtitel van het geheel, in twee banden (MA I en II) waarvan de tweede band weer is onderverdeeld in VM en WS.
Zoals bekend was Nietzsche in zijn jaren als hoogleraar klassieke filologie aan de universiteit van Bazel (1869-1879) niet erg gelukkig. Niet alleen was hij vaak te ziek om te kunnen lezen, schrijven en college geven, maar ook wilde hij eigenlijk geen filologisch geleerde binnen een academisch keurslijf, maar een vrije filosofische denker zijn. Tijdens een klein jaar ziekteverlof van 1876 tot mei 1877 waarin hij samen met Paul Rée logeert bij Malwida von Meysenbug in Sorrento, ontdekt hij in gesprekken met Rée het vrije denken en schrijven. Na terugkeer in Bazel gaat het met zijn gezondheid niet beter, maar werkt Nietzsche wel door aan de uitwerking van zijn gedachten, die dan in 1878 verschijnen als MA. Ook daarna blijft het vrije aforistische denken en schrijven ondanks alle werk en ziekte doorgaan hetgeen binnen een jaar leidt tot de afronding van VM. In mei 1879 neemt Nietzsche definitief ontslag, vertrekt uit Bazel, huurt zich een pensionkamertje in St. Moritz en maakt zich eindelijk echt vrij van het leven van een universiteitsprofessor. Vanaf dan bestaat zijn leven overdag grotendeels uit wandelen in eenzaamheid. In de drie maanden dat hij in St. Moritz verblijft verdwijnen langzamerhand collega’s en vrienden, verplichtingen en verwachtingen en ontwikkelt zich de innerlijke dialoog waarin gedachten over metafysica, ethiek, politiek, cultuur en samenleving worden uitgeprobeerd, gekritiseerd, en genoteerd op een wijze die de lezer zelf aan het denken zet. Onderweg maakt Nietzsche notities, op zijn kamertje werkt hij ze uit in meer of minder aforistische teksten, die hij ordent op een manier waarin de hoofdstukindeling van MA I te herkennen is. Na drie maanden is het manuscript van WS gereed. In een brief aan Heinrich Köselitz schrijft hij dat ‘op een paar regels na, alles onderweg uitgedacht en in zes kleine schriftjes neergekrabbeld werd’. Waar hij zijn eigen handschrift niet meer kon lezen heeft hij het maar gelaten (‘schlüpfen lassen’). De wandelaar en zijn schaduw mag daarom het eerste echte voorbeeld heten van wat hij (in de in 1886 toegevoegde voorrede bij MA II) zijn ‘wandelboeken’ noemt.
Het commentaar levert veel van dit soort nuttige informatie in ongeveer 40 pagina’s ‘Überblickskommentar’ en daarna een kleine 600 pagina’s ‘Stellenkommentar’: Bij proloog en epiloog, waarin de wandelaar en zijn schaduw elkaar uitdagen, en bij alle 350 tekstjes daartussen waarop hun gesprekken uitlopen, wordt in het commentaar allerlei interessant materiaal aangedragen: eerdere versies van dezelfde tekst, correcties aangebracht door Nietzsche zelf of door Köselitz, verbindingen met andere teksten in WS of in andere boeken van Nietzsche, bronnen waaruit hij waarschijnlijk geput heeft, identificatie van (doorgaans impliciete) citaten en verwijzingen naar en samenvattingen van secundaire literatuur waarin de betreffende tekst geïnterpreteerd is, enzovoort. Hoewel de discussie met de interpretatie-geschiedenis beperkt blijft, biedt het boek dus zowel een filologische als een filosofische commentaar bij Nietzsches tekst. Voor de onderzoeker een uiterst waardevol instrument.
Sebastian Kaufmann, NIETZSCHE-KOMMENTAR, Band 2/3, Kommentar zu Nietzsches Der Wanderer und sein Schatten. Uitgegeven door de Heidelberger Akademie der Wissenschaften. Berlin/Boston: W. de Gruyter, 2024. € 91,64 (644 pag.)