Een andere Nietzsche in ‘Nietzsches ogenblik’ van Victor Kal?
De inleiding van ‘Nietzsches ogenblik’ dat in 2025 bij Prometheus uitkwam nodigt uit. Victor Kal, van 1994 tot 2022 hoofddocent Wijsbegeerte aan de UVA, spreekt de ambitie uit om Nietzsche te presenteren als een revolutionair en religieus denker. Een misschien wat provocerende gedachte alhoewel je bij deze termen alsook bij begrippen als ‘reactionair’ en ‘emancipatoir’ die Kal eveneens gebruikt, duidelijk voor ogen moet houden wat precies bedoeld wordt. Was niet alles ook een interpretatie? Dit boek en dit artikel evenzo?
De titel van zijn eerste hoofdstuk blijft mij het hele boek door bevreemden; waarom kiest Kal voor ‘De wil tot de macht’ als vertaling van Wille zur Macht en niet wil tot macht? Drijft hij met deze keuze niet een beetje af richting de wereldse macht die de tiran wenst? We zullen het later zien in het boek. In ieder geval klinkt zijn afdronk hoopvol wanneer je leest dat het leven spontaan en zelfstandig weet hoe het moet, wanneer Nietzsche vaststelt dat de huidige wereld de waarde niet intrinsiek, vanuit zichzelf heeft, maar dat die waarde door ons er aan toegevoegd is. Een en ander drijft op verschillende soorten instinct, waarbij Kal terecht opmerkt dat Nietzsche niet in de instinctopvatting van Darwin thuishoort. Nietzsches houding ten opzichte van het christendom, wordt als bot voorgesteld. Een herkenbare classificatie wanneer je alles letterlijk leest. Wat Nietzsche zelf zou ‘wensen’ versus het christendom zou je volgens Kal als een tegenstelling tussen respectvolle en respectloze omgang met de hulpbehoevende kunnen opmerken. Hier slipt echt teveel Jip en Janneke uit zijn pen hetgeen hij goedmaakt door te stellen dat het nadere uitleg behoeft. Hoe het ook zij, ook de wil tot (de) macht krijgt een wat vreemde toelichting; de wil om (de) macht die je al vertegenwoordigt ook te gaan ontplooien. ‘De wereld laten zien wie je bent en waartoe je in staat bent’. Pardon?
Gelukkig volgt er een tweede interpretatie; bereidheid tot de macht. Een wil die nog geen macht heeft, de wil waarvoor de macht nog in het verborgene ligt. En als derde uitleg geldt voor Kal het streven naar de macht, heerschappij willen hebben zoals volgens Kal de fascist Mussolini Nietzsche heeft begrepen en het wellicht nog steeds de meest gangbare interpretatie zou zijn. Enkele hoofdstukken verderop nuanceert Kal de macht ook weer anderszins met een citaat uit Also sprach Zarathustra. waarin macht als een fenomeen wordt gezien dat je kan toevallen, waarvoor een beschikbaarheid vereist is, een destillaat uit de zin ‘Wenn die Macht gnädig wird und herabkommt ins sichtbare: Schönheit heiße ich solches herabkommen’. Een zin die in Also sprach Zarathustra vooraf gaat door ‘Aber gerade dem Helden ist das schöne aller Dinge Schwerstes’ (maar juist voor de held valt al het ‘schone’ van de dingen het zwaarst). ‘Schönheit’ is hier vooral te lezen als ‘het goede’ of ‘het ware’. (Maar misschien bedroog Zarathustra ons wel zoals Nietzsche in zijn Ecce homo als vraag opwerpt…en moet we ons voor hem schamen…)
In de tekst worden vele onderwerpen aangeroerd die later in het boek verder worden uitgewerkt. Hierdoor ontstaan veel verwijzingen. Dat geldt niet alleen voor de ‘Wille zur Macht’ alsook voor de ‘God is dood’ uitspraak, de ‘herwaardering van alle waarden’, de ’terugkomst van het gelijke’ en last but not least, het nihilisme. Het hoofdstuk over de wil tot (de) macht gaat via de begrippen openbaring en schepping langs religieuze wegen ook langzaam over in een duiding van het wezen van religie; het bestaat niet omwille van God maar omwille ervan dat je zult leven.
Met wellicht een verborgen knipoog naar de uitgave ‘Blijf de aarde trouw’ van Henk Manschot, stelt Kal dat deze uitspraak van ‘trouw zijn’ als de liefde die de Übermensch te bieden heeft, gestoeld is op het gevoelsleven van Nietzsche zélf. Dat de aarde schuldig aan iets wordt wanneer hij met een belofte geassocieerd wordt ontgaat mij. De liefde voor diegene die veraf staat (Liebe zu den Fernsten uit Also sprach Zarathustra) ziet hij gemakshalve als een pesterige poging van Nietzsche om de naastenliefde op het verkeerde been te zetten. Zoals gezegd, alles blijft per slot van rekening een interpretatie.
Het huidige Europa – hoe actueel kan een onderwerp zijn – verdient veel beschouwing. Echter, misschien waren er in de afgelopen eeuwen wel vaker periodes van een ‘huidig Europa’? Maar goed, afgezet tegen de huidige tijd is de vraag die Kal opwerpt ‘zijn we al een beetje opgeschoten richting de Übermensch?’ een bijzondere vraag. Het impliceert de werkelijke gang van een Übermensch-achtig wezen op de tijdlijn die voor onze soort ergens in de prehistorie begon met als afsluitend ogenblik de seconde waarin je deze woorden leest.
Verderop lees ik ‘Nietzsche staat niet alleen’, (de namen Heidegger, Camus, Benjamin en Kafka volgen) maar het voelt als een understatement gezien de gigantische invloed die Nietzsche heeft gehad en tot op de dag van vandaag heeft. Het brengt mij zelf wel eens bij de gedachte hoe er over – laten we zeggen 200 jaar terug – wordt gekeken naar denkers als hij. Zou het ‘Nietzsche ogenblik’ ergens nog haar intrede kunnen doen? Het neemt overigens niet weg dat Kal een mooie omschrijving geeft van een stuk Nietzsche in het werk van Kafka. Ook verderop in het hoofdstuk Herwaardering van alle waarden, relativeert Kal met strakke pen de gedachtes over Nietzsche die hardnekkig gemeengoed zijn geworden. Zoals de gedachte dat Nietzsche voor zowel een collectief als voor een individu geen moraal meer over laat. Het is een rode draad in de teksten in dit boek; laat je niets opdringen, bepaal je eigen moraal, je eigen deugd. Een credo dat Kal in allerlei contexten terug laat komen. Vaak met een politieke connotatie en tegen het licht van wetten en recht versus een eigen kompas dat iets van goed en slecht kan aangeven. In een interview hoorde ik Kal ook zeggen, duidend op Nietzsche, dat je nog geen goed doet wanneer je je keurig aan de procedures hebt gehouden. We kennen allemaal de uitspraak; operatie gelukt, patiënt overleden. We hebben de regels aangehouden, de procedures opgevolgd maar wat is het resultaat geworden? Ja, Victor Kal raakt hier wel degelijk een gevoelige en actuele snaar die de eigen verantwoordelijkheid aanroept.

Geruststellend is ook zijn analyse over Nietzsches vermeende geestelijk vaderschap van de kronkels die de nazi’s bezigden. Het is wel een duiding die meer naar het politieke discours van vandaag neigt, door de vraag te stellen of Nietzsche een ‘reactionair’ zou zijn.
Met wellicht enige hang naar structuur onderscheidt Kal drie soorten van religie opvattingen bij Nietzsche: de decadente vorm, de traditionele en de soevereine religie, en stelt daarbij dat het ‘intellectuele publiek’ vooral bekend is met de eerste vorm. Uitmondend in ‘de graven en grafmonumenten van God (Die fröhliche Wissenschaft, aforisme 125). En ja, die vorm van religie zet zich tijdloos voort, in allerlei gedaanten en ideologieën waarbij ikzelf de ongebreidelde commercie en marketing als een zeer sprekende geseculariseerde verpakking van een religie acht.
Nietzsche was wars van enige vorm van verheven transcendentie, in die zin sluit Kals opvatting ook aan dat religie te definiëren valt als je verhouden tot wat zich aan je greep onttrekt. In een andere context als een manier van verhouden tot hetgeen dat buiten je bereik is.
Hij maakt nog een tweede opdeling: retrospectief; een religie die zich verhoudt tot hetgeen al gebeurd is, en prospectief; een religieuze beleving die zich richt op hetgeen nog verborgen voor ons ligt. In hoeverre en een uitleg waarom Nietzsche beide vormen van religie voor zinvol zou houden blijft Kal de lezer enigszins schuldig. Het is evenwel de opmaat om verderop Nietzsche een religieus denker te noemen. Zo springt de opvatting van Nietzsche over religie (niet diens overtuiging!) en die van Kal heen en weer. De gemene deler; je eigen verantwoordelijkheid, het moment van het leven dat nu gaande is nemen, ook hier dus weer een verklaring van Nietzsches ogenblik. Religie als een denkproces, niet als een geloofsuiting. Ga er maar aan staan.
Kal staat uitvoerig stil bij de ‘eeuwige terugkomst van het gelijke’ (geen Wiederkunft maar Wiederkehr), wijdt er een apart hoofdstuk aan, maar laat deze voorafgaan door een ‘verlossing van het toeval’. Hij focust daarbij op Nietzsches scheppende wil die loskomt van het verleden en nieuwe mogelijkheden creëert. Ook hier zijn weer ‘ogenblikken’ te ontdekken precies daar waar het verleden ophoudt zijn er poorten waar de wegen naar het verleden en de toekomst bij elkaar komen, daar waar de Große Sehnsucht een begin kan maken, waar vernieuwing en verschil kan ontstaan (eigen toevoeging: een houding die in therapeutische kringen wel eens vertaald word als de opdeling in ruwweg twee opties; is het leven iets dat je toevalt, overkomt, of is het meer een avontuur waarbij je zelf voor een wezenlijk deel aan het stuur zit?).
Kal maakt een connectie met de schreeuwers en ‘hansworsten’ die steeds meer en vaker de politieke arena’s bewonen, die gouden bergen beloven, gestoeld op ressentiment en handig gebruik makend van nihilistische sentimenten. Met ons allen zitten we in het grote avontuur dat van het begin tot aan het eind chaos behelst, zonder noodzaak maar wel met enige behoefte aan orde en eenheid. Nietzsche kende inderdaad niet die ‘goddelijke orde’ zoals Spinoza, de denker die Kal in zijn De list van Spinoza (Prometheus, 2020) op een geheel eigen wijze ten tonele voert. Hoe het ook zij, voor Nietzsche is het zaak om het ogenblik te ontwaren, de ‘Blitz’ mee te maken en er als een tijger bovenop te springen. Dieren komen niet alleen in de Zarathustra voor maar ook in andere werken zoals Jenseits von Gut und Böse met enige frequentie voorbij. Die tijger weet immers wat het wil. Spinoza en Nietzsche delen volgens Kal een specifiek project dat bij Nietzsche de mensen verlost van het toeval en terugkeert als noodzaak. Bij Spinoza is er veeleer sprake van een algemeen geldende kracht waarbij God en natuur identieke entiteiten zijn. Nietzsche laat zich er niet door weerhouden, daar is immers die wil tot macht die in de appreciatie, het grote “Ja-sagen’, een eigen perspectief creëert.
Hoe ziet Nietzsche het nihilisme volgens Kal? Kortweg: wanneer een leven dat voorbijgaat aan het ogenblik waar de vitaliteit, de openheid zich manifesteert, niet aangrijpt en er een grondhouding, een mentaliteit of zelfs een ideologie dan wel religie de boventoon voert waarbij de betekenis van dat ogenblik miskend wordt. Om dit te voorkomen dient er bereidheid te zijn om ergens voor te staan (dus geen ‘hansworst’ te zijn), ‘macht’ toe te laten, een wil tot (de) macht. Kal neemt hier een andere afslag, duidelijk meer een maatschappelijke duiding en specifieker het huidige nihilistische tijdsgewricht in ogenschouw nemend. Hiermee is het ook een andere uitleg dan andere ‘macht’ duiders wanneer het om de teksten van Nietzsche gaat. Niet dat deze tekst daarom minder aanspreekt want elke kritisch beschouwer in de 21e eeuw kan zien dat we in een geïndustrialiseerde en vercommercialiseerde samenleving dolen waarbij veel dingen ontstaan louter omdat ze kunnen, niet omdat we het als het goede kunnen duiden. De wervingsteksten voor internationale leiderschap trainingen krijgen niet voor niets een kop als Doen we nog het goede? Een tegenhanger van de massamens die via algoritmes zich onbewust naar de weide laat voeren waar het aan gecontroleerd grazen wordt blootgesteld. En Kal stelt terecht dat er een revival van religie ontstaat doordat ‘proletarische hansworsten’ zich door een belofte van hogere orde laten leiden. Of de dood van God daarmee te vroeg is aangekondigd? Misschien is de doodsverklaring anderszins in de tijd te passen wanneer we de dood van God niet zozeer als een niet-bestaan uitleggen maar een letterlijk doodsverklaring, i.c. dat hij niet meer leeft. Nietzsche heeft zelfs een verdachte, of beter gezegd, een grote groep verdachten als schuldigen aangewezen. Die priesters blijven in naam van wat zij god noemen misbruik maken van de naam ‘god’. Over macht gesproken…
Het ogenblik aangrijpen, je verantwoordelijkheid nemen, god door je eigen leven laten ‘dansen’, en de macht in eigen handen nemen, het zijn zo wat vrije interpretaties die Kal in zijn boek ter berde brengt. In zijn laatste hoofdstuk houdt hij het vermeende antisemitisme van Nietzsche ook nog tegen het licht. Hij ziet het als een poging van Nietzsche om de christen op een verkeerd been te zetten en vrijwaart Nietzsche van enig antisemitisme.
Het ogenblik zien vereist aandacht, opmerkzaamheid zodat je op de beste manier kunt handelen. Wat de beste manier is lezen we verder niet. Wel een verhandeling over Plato en Aristoteles; hoe de eerste de tegenwoordigheid van geest (phronèsis) ook in een prospectief kader plaatst en Aristoteles de deugd meer vanuit een retrospectieve visie blijft duiden.
Victor Kal heeft met ‘Nietzsches ogenblik’ her en der zijn eigen interpretaties op de teksten van Friedrich Nietzsche vrij baan gegeven. En brengt dat iets? Jazeker, al waren er meerdere momenten waarop mijn tenen in een lichte kromming begonnen te staan, er waren ook genoeg passages die boeiden door een andere blik op dezelfde landschappen. Kal heeft geprobeerd Nietzsche als een constructief denker te plaatsen, niet als die nihilist zoals Nietzsche vaak in de wat oppervlakkige interpretaties wordt neergezet. Kal is zoals hij zelf afsluit, ‘zijn eigen gang gegaan’, bewust niet de confrontatie opzoekend met de wat meer ‘gangbare’ Nietzsche interpretaties en heeft daarmee naar eigen zeggen een andere Nietzsche gepresenteerd. Ik zou willen zeggen; dezelfde Nietzsche anders gepresenteerd, en daar is Kal zeer duidelijk in geslaagd.
Victor Kal: Nietzsches ogenblik (Prometheus 2025, 288 pag.)
Interview: Gertjan Duijm en Aron van Os in gesprek met Victor Kal (april 2025):