‘Kort aangelijnd aan de pin van het ogenblik…’

‘Kort aangelijnd aan de pin van het ogenblik…’

In haar mooie, inhoudelijk ook confronterende artikel over de populaire Duitse auteur Juli Zeh, (‘Níét twijfelen is geen optie’, NRC 1 juli jl.), tipt Nynke van Verschuer een herkenbaar tijdsbeeld aan; exemplaren uit een anonieme ‘kudde’ uiten – niet gehinderd door enige historische kennis of fatsoen en bedolven onder meningen die hen het beste passen – op de meest grove wijze hun overtuiging die vervolgens geen enkele discussie of debat toestaat. Ook de gevierde auteur Juli Zeh (zie ook mijn blog ‘Spieltrieb’, februari 2014) kost het veel energie om staande te blijven tussen shitstorms als ongenuanceerde haatmails, bedreigingen en ongefundeerde visies die nauwelijks dat begrip waard zijn. 

Nynke van Verschuer (NvV) heeft een uitspraak van Nietzsche aangaande historische kennis en de verhouding van de ‘kudde’ daarmee, op een speelse manier in haar verhaal vervlochten. Voor NvV is het een uitspraak die op alle werken van Zeh van toepassing zou kunnen zijn, in mijn eigen woorden als een ‘Leitmotiv’. Daarom eerst even het citaat van Nietzsche zelf dat ze uit de laatste editie van de ‘Oneigentijdse Beschouwingen’ (Boom Filosofie, 2008*) heeft gehaald: “Bezie de kudde die aan je voorbij graast: zij weet niet wat gisteren, wat vandaag is, ze dartelt rond, vreet, rust, verteert, dartelt verder, en zo van de ochtend tot de avond, dag aan dag, in haar lust en onlust kort aangelijnd aan de pin van het ogenblik (…).” NvV gaat daarna verder over de natuurbeleving, het platteland, het verlies van enig besef over hetgeen de natuur inhoudt (misschien daar waar kuddes grazen?) en laat Juli Zeh uitleggen dat dieren ook zo’n pin van het ogenblik zijn…..maar is dat hetgeen Nietzsche bedoelde met zijn kudde? Zijn ‘Heerde’? Wordt hier niet een beetje ruim geïnterpreteerd, ál te ruim geïnterpreteerd? Daar schat ik Juli Zeh toch wat anders in, getuige haar eerdere werken. NvV heeft de pointe van het citaat in haar artikel ingebracht alsof de hoofdfiguren in het werk van Zeh met eenzelfde jaloerse blik naar dieren kunnen kijken als Nietzsche dat zou hebben gedaan. Echter, dat was niet zozeer een vorm van benijden die Nietzsche bij zich droeg maar veeleer een observatie die hij naar de kuddes kijkende, als een nog ongeboren Zarathoestra met vergelijkingen naar de dierenwereld, in zijn tweede ‘Oneigentijdse Beschouwing’ legde. 

Nietzsche schreef zijn regels al in de winter van 1873. Dat deed hij eerst op een wijze die niet veel afweek van de versie die later definitief in zijn ‘Vom Nutzen und Nachtheil der Historie für das Leben’ de geschiedenis zou ingaan. Dat origineel klinkt als volgt: ‘Die Heerde weidet an dem Menschen vorüber: sie weiss nicht was gestern und heute ist, springt umher frisst ruht verdaut springt wieder und so vom Morgen bis zur Nacht und von Tag zu Tage, kurz angebunden mit ihrer Lust und Unlust, nämlich an den Pflock des Augenblicks und desshalben weder verdrossen noch überdrüssig. Dies zu sehen geht dem Menschen hart ein, da er des Thieres sich überhebet und doch nach seinem Glücke trachtet; denn das will er allein, weder überdrüssig noch traurig leben, gleich dem Thier: und will es doch umsonst und ohne Hoffnung.’ (Nachlass herfst 1873 – winter 1873-74)

Michel van Nieuwstadt heeft dat mooi in de Nagelaten Fragmenten (deel 1, uitgeverij SUN) vertaald: ‘De kudde graast aan de mens voorbij: ze weet niet wat gisteren en vandaag is, ze dartelt rond, vreet, rust uit, verteert, dartelt verder en zo van de ochtend tot de avond en dat dag in dag uit, in haar lust en haar onlust kort aangelijnd, te weten aan de pin van het ogenblik en deswege noch verdrietig, noch verveeld. Het valt de mens hard dit te zien, omdat hij zich hoger voelt dan het dier en toch naar geluk streeft; want dat wil hij: noch verveeld, noch treurig leven, net als het dier, en niettemin wilt hij het tevergeefs en zonder hoop.’

Nieuwsgierige koeien in Sils Maria (foto S.P.)

In deze eerste variant is het al duidelijk waar het Nietzsche om te doen is; niet om de kennis van de mens over het dier maar de hang naar geluk dat de mens tevergeefs tracht te vinden door aan dezelfde pin van het ogenblik – dus zonder enig (historisch) bewustzijn als het dier – rond te kunnen dartelen, herkauwen, het liefst van de ochtend tot aan de avond. Het is een mijmering die we denk ik allemaal wel eens hebben wanneer we langs een weiland fietsen of wandelen waar grazende koeien je met een soms ontroerende en onbevangen manier kunnen aankijken om vervolgens weer over te gaan tot de orde van de dag; grazen, herkauwen, dartelen…

Friedrich Nietzsche is in 1873 al meerdere jaren professor in Bazel en komt voor de Kerstdagen naar zijn moeder in Naumburg. Hij is er ziek, een van de vele keren in zijn leven, maar werkt tussen Kerst en de jaarwisseling aan zijn manuscript dat hij na een treinreis naar Leipzig aldaar bij de uitgever Ernst Wilhelm Fritzsch achterlaat die het vervolgens in de definitieve versie in druk neemt. Bovengenoemde passage is dan iets geredigeerd want dit heeft Nietzsche er van gemaakt: ‘Betrachte die Heerde, die an dir vorüberweidet: sie weiss nicht was Gestern, was Heute ist, springt umher, frisst, ruht, verdaut, springt wieder, und so vom Morgen bis zur Nacht und von Tage zu Tage, kurz angebunden mit ihrer Lust und Unlust, nämlich an den Pflock des Augenblickes und deshalb weder schwermüthig noch überdrüssig. Dies zu sehen geht dem Menschen hart ein, weil er seines Menschenthums sich vor dem Thiere brüstet und doch nach seinem Glücke eifersüchtig hinblickt — denn das will er allein, gleich dem Thiere weder überdrüssig noch unter Schmerzen leben, und will es doch vergebens, weil er es nicht will wie das Thier.’

Een goede vertaling komt uit de handen van Thomas Graftdijk en wel uit 1983 met de titel: ‘Over nut en nadeel van de historie voor het leven’. Het is eveneens de basis voor de latere uitgave waar Paul Beers ook zijn kennis van de Duitse taal en licht over heeft laten schijnen. Graftdijk vertaalde de ‘vastgepinde’ woorden uit eind 1873/begin 1874 veertig jaar geleden als volgt; ‘Beschouw de kudde die je grazend voorbij gaat; zij weet niet wat gisteren, wat vandaag is, springt rond, vreet, rust, verteert, springt weer, en zo van de morgen tot de nacht en van dag tot dag, met haar lust en onlust kort aangebonden, namelijk aan de pin van het moment, en daarom noch zwaarmoedig, noch verveeld. Dit te zien is de mens niet aangenaam, omdat hij tegenover het dier op zijn menszijn pocht en toch afgunstig zijn geluk gadeslaat – want dat is het enige wat hij wil, net als het dier noch verveeld, noch onder smarten leven, en toch wil hij het tevergeefs, omdat hij het niet op dezelfde manier wil als het dier.’

‘De mens vraagt het dier wel eens: waarom vertel je me niet over je geluk en kijk je me alleen maar aan?’

De tekst spreekt voor zich en komt als begrip ook verrassend regelmatig terug in een totaal ander werk en wel van Nederlandse bodem: ‘Uit het leven van een hond’ van Sander Kollaard waarbij deze auteur het ook hanteert om gemakkelijk heen en weer in de tijd te kunnen springen. Maar wat houdt die boodschap van Nietzsche nou kort gezegd in? Enerzijds verhoudt de mens zich tot het dier als een jaloers wezen omdat het ook zo onbekommerd door het leven zou wensen te gaan, anderzijds wil hij het toch niet op die wijze want hij acht zich hoger dan het dier door zijn (historisch) bewustzijn. Als ‘het meest ongedefinieerde dier’ (zie ook mijn blog met die titel van september 2019) dat hem nou juist níet kort aangebonden aan de pin van het moment houdt. Ondanks alle miljoenen in de kudde die al mindfull grazend het credo van Eckhart Tolle (‘De kracht van het nu’) tot zich trachten te nemen, is het telkens weer lastig om de feitelijkheid van ons potentieel historisch bewustzijn te parkeren. Het is in die context wel grappig om de zin die Nietzsche er achteraan schreef hier te vermelden: ‘Der Mensch fragt wohl einmal das Thier: warum redest du mir nicht von deinem Glücke und siehst mich nur an? Das Thier will auch antworten und sagen, das kommt daher dass ich immer gleich vergesse, was ich sagen wollte — da vergass es aber auch schon diese Antwort und schwieg: so dass der Mensch sich darob verwunderte.
Er wundert sich aber auch über sich selbst, das Vergessen nicht lernen zu können und immerfort am Vergangenen zu hängen: mag er noch so weit, noch so schnell laufen, die Kette läuft mit. Es ist ein Wunder: der Augenblick, im Husch da, im Husch vorüber, vorher ein Nichts, nachher ein Nichts, kommt doch noch als Gespenst wieder und stört die Ruhe eines späteren Augenblicks. Fortwährend löst sich ein Blatt aus der Rolle der Zeit, fällt heraus, flattert fort — und flattert plötzlich wieder zurück, dem Menschen in den Schooss. Dann sagt der Mensch „ich erinnere mich“ und beneidet das Thier, welches sofort vergisst und jeden Augenblick wirklich sterben, in Nebel und Nacht zurücksinken und auf immer erlöschen sieht.’

In de woorden van Graftdijk: ‘De mens vraagt het dier wel eens: waarom vertel je me niet over je geluk en kijk je me alleen maar aan? Het dier wil ook antwoorden en zeggen: dat komt doordat ik altijd meteen vergeet wat ik wilde zeggen – maar toen vergat het ook dit antwoord alweer en zweeg: zodat de mens zich erover verwonderde. 
Hij verwonderde zich echter ook over zichzelf: dat hij niet kon leren vergeten en aldoor aan het voorbije bleef hechten: hij mag nog zo ver, nog zo snel weglopen, de ketting loopt vliegensvlug voorbij, ervóór een niets, erna een niets, komt toch nog als spook terug en verstoort de rust van een later moment. Voortdurend laat er een blad los uit de rol van de tijd, valt eruit, fladdert weg – en fladdert plotseling weer terug, in de schoot van de mens. Dan zegt de mens ‘ik herinner mij en benijdt het dier, dat onmiddellijk vergeet en ieder ogenblik werkelijk ziet sterven, in nevels en duisternis terugzinken en voor altijd uitdoven.’

Waar een ‘overdosis’ historisch bewustzijn of het niet kúnnen vergeten in sommige zielen toe kan leiden is een thema dat Nietzsche ook op zijn eigen wijze aanhaalt in zijn beschouwing; ‘er zijn mensen die deze kracht (om jezelf te kunnen ontgroeien, boven jezelf te staan s.p.) in zo geringe mate bezitten, dat zij door één ervaring, door één smart, vooral vaak door één subtiel onrecht, reddeloos doodbloeden als aan een heel kleine bloedige schram (…)’. Je kunt ze redelijk snel herkennen wanneer je in de wereld rondkijkt, ver van huis of gewoon in je eigen straat, de krant lezend of wanneer je plotseling een spiegel wordt voorgehouden.

Juli Zeh

De behoefte van Zeh om in het moment te kunnen zijn zoals dieren dat kunnen is evident, net zoals het gedrag van het individu en de massa in haar romans een prominente plek innemen. Voor een wetenschappelijke c.q. psychologische benadering van met name de massa lenen andere hoofdstukken uit klassieke werken van o.a. Gustave Le Bon, Elias Canetti, Gabriel de Tarde, José Ortega y Gasset, Erich Fromm, Max Weber of Sigmund Freud zich beter, werken die het broodnodig verdienen om in deze tijden gelezen te worden, met visies die om herkauwen vragen. Het laat onverlet dat Juli Zeh, en met haar honderden, duizenden anderen die belaagd worden met krachttermen en scheldkanonnades uit pennen en monden van duistere ‘ongedefinieerde dieren’ zichzelf af en toe graag wat ruimte en nuance zou toewensen. Een vorm van stilte in de ziel van de kudde, voordat de onheuse en ongenuanceerde meningen het digitale spreekgestoelte hebben bereikt. Een moment van overdenking bij de ‘digitale evangelisten van de waarheid’ die al lang geleden vergeten en in de duisternis lijkt te zijn afgezonken. Helaas zijn we anders toegerust en lopen we allemaal ons eigen rondje, kort aangelijnd aan de pin van het moment, van dít moment.

*) Wie de boven aangehaalde tekst wil lezen kan te rade bij uitgeverij Boom die het boek heeft opgenomen in de serie ‘Nietzsche-bibliotheek’ (zie ook het literatuur overzicht op deze website). Over de tekst zelf (die dus vergezeld gaat met drie andere ‘Oneigentijdse Beschouwingen’) schrijft Boom: ‘Over nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven’ is een inmiddels klassiek essay over geschiedenis, cultuur, traditie en canonvorming. Aan de hand van een kritiek op de historiserende geest van de negentiende eeuw ontwikkelt Nietzsche verschillende opvattingen over hoe wij op een creatieve manier met de geschiedenis kunnen omgaan. 


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.