‘Terugblik op mijn twee jaren in Leipzig’

‘Terugblik op mijn twee jaren in Leipzig’

Over het belang van het fundament dat Nietzsche in Leipzig voor zijn verdere leven legde is al het nodige geschreven. Zo las ik onlangs weer eens het alleraardigste boek dat Ulf Heise over die bewogen jaren heeft geschreven: “Ei da ist ja auch Herr Nietzsche”. Leipziger Werdejahre eines Philosophen (Sax-Verlag Beucha, 2000). Hij refereert met zijn titel aan de befaamde uitspraak van professor Ritschl die Nietzsche al uit Bonn kende en hem uiteindelijk de grote stap als professor naar Bazel liet maken. De stad waar hij op 19 april 1869 na wat omzwervingen om twee uur in de middag aankwam en volgens biograaf Janz ‘seine Jugend hinter ihm lag und das Werk begann sein Medusenhaupt zu zeigen’…

Nietzsche studeerde alles bij elkaar een slordige vier jaar in Leipzig. Onderbroken door een militaire poging voor Saksen zijn mannetje te staan, een ongeval en ziekte ontdekte hij er het nodige dat tot latere beschouwingen zou gaan leiden. De inschrijving zou op 19 oktober zijn geweest, op de dag af precies 100 jaar na Goethe. Dat misverstand werd door veel biografen overgenomen, de werkelijkheid was echter een dag later, de 20e, een detail maar toch. Zijn koffer kwam met enkele dagen vertraging en daardoor lichte paniek vanwege kleding maar vooral een manuscript alsnog aan. Hij leerde er de werken van Schopenhauer (Die Welt als Wille und Vorstellung waarvan in de eerste negen jaar na verschijnen slechts 61 exemplaren waren verkocht!) en de muziek van maar ook de persoon Wagner kennen. Daarnaast onderhield hij veel vriendschappen – onder anderen met Erwin Rohde, Carl von Gersdorff en Eduard Mushacke (met de laatste verbrak hij later radicaal het contact) – maar bovenal viel hij op door zijn manier van werken, zijn teksten en voordrachten. Het waren vormende jaren voor de filoloog die langzaamaan filosoof zou gaan worden. Leipzig bleef hij vanwege zijn contacten met uitgevers na zijn studie nog frequent bezoeken, om precies te zijn 10 keer in 17 jaar tijd. 

In augustus van 1867 schrijft hij als een soort tussenbalans zijn autobiografische tekst ‘Rückblick auf meine zwei Leipziger Jahre’, een tekst die bij mijn weten nergens in een Nederlandse versie is verschenen. Voor zover we Elisabeth Nietzsche mogen geloven wilde haar broer deze tekst verbranden maar heeft ze het weten tegen te houden. Veel biografen vertellen weinig over de crisis die Nietzsche voorafgaand aan en in de eerste weken van zijn nieuwe levensfase in Leipzig heeft doorleefd. Nu zouden we misschien woorden als ‘ziel onder zijn arm’ gebruiken al voelt dat postuum als een understatement aan. Zijn dagboekaantekeningen van oktober/november 1865 heeft hij wellicht niet aan de openbaarheid willen geven. Het was de periode waarin hij bang werd ‘gek’ te worden, een periode die terugblikkend met de kennis van later misschien iets meer zou kunnen vertellen over de latere psychische ineenstorting (n.b. in een brief uit september 1882 aan Lou van Salomé heeft hij het ook over zijn vermoedelijke aanleg voor Verrücktheit), al zijn er ook genoeg stemmen die blijven zeggen dat het destijds in Leipzig – en voorafgaand twee weken in Berlijn – louter een crisis was die ontstaat nadat iemand de zware deken van het geloof van zich afwerpt. 

Reeds in Bonn liet hij geen onduidelijkheid bestaan over zijn kijk op de religie, kerk en de priesters. In Die Weltanschauung des katholischen Mittelalters klonk het al als volgt ; “(…) die christliche Priesterschaft leidet an demselben Fanatismus, der jede Priesterschaft in der Welt beseelt hat. Ein unlogischer Grund, anmaßliches Vordrängen in alle Verhältnisse, in Schule Staat und Kunst, Machtansprüche geschleudert gegen Gründe… alles das findet sich überall wieder und von einem Fortschritt, selbst nur von einer Gradverschiedenheit kann nicht die Rede sein. Die Priesterschaft ist immer nur der Ausdruck der sich allein berechtigt anerkennenden sich selbst genügenden Religion.” Twee jaar later duikt in deze context dan ook zo’n typische Nietzsche zin op die zowel qua inhoud als stijl enigszins verraadt waar het met Nietzsche naar toe gaat: ‘Die Wahrheit wohnt selten dort, wo man ihr Tempel gebaut und Priester ordinirt hat.’ (Brief aan Carl von Gersdorff, 6 april 1867)

In een brief aan twee tantes schrijft hij met enige introspectie: ‘(…) Es ist Euch bekannt, daß mit jedem 7ten Jahre der Mensch einen vollkommen neuen und andern Körper angezogen hat. Und deshalb ist das siebente, das vierzehnte und das einundzwanzigste so wichtig. Ich fange also jetzt an zum 4ten Male in einen neuen Leib einzugehn. Wie ist es nun mit unsrer Seele? Hat sich diese auch schon dreimal völlig geändert? Haben unsre Eigenschaften, unsre Fähigkeiten so wenig Stand, daß sie auch nach je 7 Jahren schwinden und neuen Platz machen? Nein, einem solchen Kreislaufe der Seele sind wir nicht unterworfen, wohl erweitert sie sich und gewinnt an Kraft, aber ihre Grundbestandtheile bleiben sich gleich, ewig gleich. Ist denn nicht unsre Liebe zu einander sich gleich geblieben, meine lieben Tanten? Aber was wird mir in diesem 4ten Kreise von sieben Jahren alles geschehen? Alles muß sich darin entscheiden; ist er vorbei, so muß der Mensch fertig sein, das ganze Baugerüst muß untadelhaft dastehn; wir können dann bloß noch ausschmücken, aber nicht mehr umbauen (…)’ (brief eind okt./begin nov. 1865)

In Nietzsches geval impliceerde dat ook een nieuwe verhouding tot zijn thuisfront en familie in Naumburg. Er zijn dus weinig teksten uit deze crisisperiode behalve dan deze ‘Rückblick’. Ik vertaalde daarom deze tekst en deel deze graag op Nietzsche.nl als leestussendoortje voor in de vakantieperiode:

Rückblick auf meine zwei Leipziger Jahre

17 oktober 1865 tot 10 augustus 1867

Mijn toekomst is mij volkomen onduidelijk, hoewel ik me er geen zorgen over maak. Op dezelfde manier verhoud ik me tot mijn verleden; over het algemeen vergeet ik het heel snel, en alleen de veranderingen en versterkingen van mijn karakter laten me van tijd tot tijd zien dat ik het heb meegemaakt. Met zo’n levenswijze word je verrast door je eigen ontwikkeling zonder die te begrijpen; en ik ontken niet dat dit voordelen heeft, aangezien het constante observeren en overwegen de naïeve uitingen van karakter verstoort en de groei ervan lijkt te belemmeren. Soms lijkt het me echter alsof zo’n bewuste voortzetting van het leven slechts tijdelijk ontwrichtend is. Denk aan de soldaat die aanvankelijk bang is helemaal te vergeten hoe hij moet lopen, wanneer hem wordt geleerd om bewust zijn voet op te tillen en zijn fouten in gedachten te houden. Het is simpelweg een kwestie van een tweede natuur in hem te ontwikkelen. Dan loopt hij net zo vrij als voorheen. Het is heel gemakkelijk om de moraal van deze fabel te vinden, en de volgende pagina’s zullen aantonen dat ik die gevonden heb. Ik wil het over mezelf hebben, en om niet abrupt met “vandaag” te hoeven beginnen, zal ik dit vooraf laten gaan door iets over de afgelopen twee jaar. Twee jaar! Op deze leeftijd! Wat zuigt er niet aan dit jonge wezen, wat drukt er niet zijn poten in de zachte klei!

Nietzsche als student in Leipzig (aug./sept. 1865)

Ik verliet Bonn als een vluchteling. Toen mijn vriend Mushacke me om middernacht vergezelde naar de oevers van de Rijn, waar we wachtten op de stoomboot uit Keulen, voelde ik geen weemoed bij het verlaten van zo’n mooie plek en zo’n bloeiend land, bij het afscheid nemen van een groep jonge vrienden. Integendeel, het waren juist zij die me aanspoorden. Ik wil deze goede mensen achteraf niet onrecht aandoen, zoals ik in het verleden vaak wel deed. Maar mijn aard vond geen voldoening bij hen; ik was zelf nog veel te verlegen en teruggetrokken, en miste de kracht om deel te nemen aan de gebeurtenissen daar. Alles werd me opgedrongen en ik begreep niet hoe ik met mijn omgeving moest omgaan. Aanvankelijk probeerde ik mijn weg te vinden in de sociale kringen en dat te worden wat men een levendige student noemt. Maar naarmate dit steeds minder lukte, naarmate de poëtische geest die al deze activiteiten leek te doordringen verdween en er een ruwe, bekrompen aard ontstond te midden van al dat drankgebruik, lawaai en die schulden, begon er een stille onrust in me te sluimeren. Ik trok me steeds meer terug uit die lege genoegens en zocht mijn toevlucht in de natuur of in de gezamenlijke studie van kunst. Ik voelde me steeds meer vervreemd in deze kringen, waaruit ontsnappen onmogelijk was. Bovendien kreeg ik last van aanhoudende reumatische pijnen en, niet minder zwaar, het gevoel dat ik niets voor de wetenschap had betekend of voor het leven had geleerd terwijl ik wel aanzienlijke schulden had opgebouwd. Dit alles gaf me het gevoel een vluchteling te zijn toen ik in de vochtige, regenachtige nacht aan boord van het stoomschip stond en de weinige lichtjes die Bonn aan de kust markeerden langzaam zag verdwijnen.

Ik bracht met de nasleep van deze stemming de vakantie door. Ik had het geluk de laatste twee weken bij mijn vriend Mushacke in het huis van zijn ouders door te brengen. In Berlijn speelde ik destijds de rol van de ontevreden man; het verleden stond me nog te helder voor de geest, de lasten ervan drukten nog te zwaar op mijn schouders, waardoor ik mijn vriend met mijn constante geklaag zeker tot last was. Natuurlijk veralgemeende ik mijn onbehagen over het studentenleven in Bonn en in het bijzonder over de Duitse Burschenschaft (studenten-vereniging). Dat ik nu mensen van dit soort op een concert van Liebig moest ontmoeten, was buitengewoon gênant voor me; en ik was zo onbeleefd om na de verplichte begroetingen een hele avond zwijgend naast hen te zitten. Toch nodigde een van hen me, uit plichtsbesef, uit in hun café, maar ik ging mee ter wille van mijn vriend Mushacke. Ik bleef echter net zo stil en ontoegankelijk als tijdens onze eerste ontmoeting en wekte daardoor nauwelijks een gunstige indruk voor mijn talenten en levenswijze, vooral omdat ik weinig bier dronk en helemaal niet rookte. Ik was destijds zeker niet geneigd om Berlijn zelf met een open blik te bekijken en te waarderen; het is echter passend voor mijn toenmalige rusteloze en ontevreden gemoedstoestand dat Sanssouci en de omgeving van Potsdam, in de pittoreske charme van de vroege herfst, een grote indruk op me maakten.

Ook de tuin van het Victoriatheater staat me nog helder voor de geest: zonder enig groen, de bomen als rattenstaarten, de banken en stoelen lukraak op elkaar gestapeld, de doffe stralen van de herfstzon die over de gevels van de omliggende huizen schenen, en de lichtblauwe lucht waar de daken zo scherp tegen uitstaken. Onze gesprekken voedden mijn verbitterde stemming alleen maar verder. Het was het sarcasme van de voortreffelijke Mushacke, zijn inzichten in het bestuur van de middelbare school, zijn woede over Joods Berlijn, zijn herinneringen aan de tijd van de Jonge Hegelianen – kortom, de hele pessimistische sfeer van een man die veel achter de schermen had meegemaakt – die mijn humeur een nieuwe impuls gaf. Ik leerde toen met plezier de dingen in een negatief licht te zien, nadat het persoonlijk slecht met me was gegaan, naar ik meende buiten mijn schuld om.

Het oude station van Leipzig, rond 1900

Het was op 17 oktober 1865 toen mijn vriend Mushacke en ik aankwamen op het treinstation van Leipzig in Berlijn. We dwaalden doelloos door het stadscentrum en genoten van de torenhoge gebouwen, de levendige straten en de drukte. Rond het middaguur rustten we uit in het Reisseschen Restaurant (Klostergasse) en vonden het er redelijk aangenaam, hoewel het er niet helemaal vrij was van in zwart-rood-goud geklede jongeren. Hier begon mijn studie van de dagkrant, iets wat ik later ’s middags regelmatig ging doen. Die dag noteerden we de aangeboden appartementen – die ‘nette’ of zelfs ‘elegante’ kamers met ‘slaapkamers’, enzovoort. Vervolgens gingen we op pad, straten op en neer, trappen op en af, om deze zogenaamde pareltjes te bekijken en vonden ze gemiddeld genomen ronduit afschuwelijk. Wat een stank! Wat een eisen werden er gesteld aan hygiëne! Genoeg! We raakten al snel geïrriteerd en wantrouwig, en volgden daarom met tegenzin een antiquair die een appartement te huur had dat geschikt voor ons leek. De wandeling duurde al te lang en we werden moe toen hij stopte in een klein zijstraatje genaamd ‘Blumengasse’, ons door een huis naar een tuin leidde en ons in het aangrenzende gebouw een kleine kamer en een aparte ruimte liet zien die een aangenaam afgelegen indruk maakten en heel geschikt leken voor een geleerd persoon. Enfin, we kwamen tot een overeenkomst; vanaf dat moment zou ik bij de antiquair Rohn op Blumengasse nummer 4 verblijven. Mijn vriend Mushacke vond onderdak in het huis ernaast. En inderdaad, zoals we later vaak opmerkten, had ik met deze accommodatie de betere keuze gemaakt. Die dag gingen we echter, nadat we onze zaken hadden afgehandeld, naar het nabijgelegen café en genoten we, in de sombere herfstlucht, nog steeds buiten van onze middagchocolade, vol verwachting voor alles wat ons in onze nieuwe omgeving te wachten stond.

De volgende dag meldde ik me bij de studentenraad van de universiteit; het was een dag waarop de universiteit een jubileumuitgave en promoties vierde, precies de dag waarop Goethe honderd jaar eerder zijn naam in het album had gezet. Ik kan niet beschrijven hoe verfrissend deze toevallige ontmoeting voor mij was; het was zeker een goed voorteken voor mijn Leipziger jaren, en de toekomst heeft ervoor gezorgd dat het terecht een goed voorteken genoemd kon worden. De toenmalige rector, Kahnis, probeerde ons, de pas toegelaten studenten die een grote kring vormden, duidelijk te maken dat een genie zijn eigen, bijzondere pad volgt en dat Goethes studententijd daarom geenszins als voorbeeld voor ons moest worden beschouwd. We beantwoordden de toespraak van de kogelronde, beweeglijke man met een kleine glimlach en gaven hem vervolgens de gebruikelijke handdruk, waarbij de hele kring langs het zwarte punt liep. Later ontvingen we onze diploma’s.

De eerste vreugdevolle gebeurtenis voor mij was de eerste verschijning van Ritschl, die als een gelukkige op zijn nieuwe stek was aanbeland. Volgens de academische traditie was hij nu verplicht zijn inaugurele rede in het openbaar in de aula te houden. Iedereen keek reikhalzend uit naar de verschijning van de beroemde man, wiens optreden in de affaire in Bonn zijn naam in de kranten en in de publieke belangstelling had gebracht. De academische gemeenschap was dan ook in grote aantallen bijeengekomen, maar ook talloze niet-studenten stonden op de achtergrond. Toen glipte hij de zaal binnen, op zijn grote vilten schoenen, verder onberispelijk gekleed in een formeel pak met een witte stropdas. Opgewekt en beheerst keek hij rond in deze nieuwe wereld en zag al snel enkele bekende gezichten. Terwijl hij achter in de zaal rondliep, riep hij plotseling uit: “Aha, daar is meneer Nietzsche!” en zwaaide enthousiast naar mij. Al snel had hij een hele kring van Bonner studenten om zich heen verzameld, met wie hij zeer gemoedelijk kletste, terwijl de zaal zich steeds verder vulde en de academische hoogwaardigheidsbekleders arriveerden. Toen hij dit merkte, beklom hij opgewekt en gemakkelijk het spreekgestel en hield zijn fraaie Latijnse rede over de waarde en het nut van de filologie. Zijn open blik, de energieke jeugdigheid van zijn woorden en het levendige vuur in zijn uitdrukking wekten duidelijk verbazing. Ik hoorde een oude, joviale Saks na afloop opmerken: “Nou nou, wat een passie heeft die oude man!” Ook bij de eerste lezing in Auditorium nr. 1 was de opkomst overweldigend. Hij begon zijn lezing over Aischylos’ tragedie “Zeven tegen Thebe”, waarvan ik het belangrijkste deel bijwoonde en genoteerd heb.

Hier wil ik kort iets zeggen over mijn bezoek aan de collegezaal. Het feit dat ik geen enkel compleet collegeverslag bezit, maar slechts schamele fragmenten, spreekt boekdelen. Deze onregelmatigheid bezorgde me af en toe angst en onrust, maar uiteindelijk drong de verlossende formule tot me door. In wezen was het niet de inhoud van de meeste lezingen die me aantrok, maar eerder de manier waarop de academische docent zijn wijsheid overbracht. Het was de methode die me zeer interesseerde; ik zag hoe weinig inhoudelijk materiaal er aan universiteiten wordt onderwezen, en toch hoe de waarde van dergelijke studies universeel wordt gewaardeerd. Het werd me duidelijk dat het voorbeeldige karakter van de methode, de manier waarop een tekst wordt behandeld, enzovoort, het punt is van waaruit het transformerende effect ontstaat. Daarom beperkte ik me tot het observeren van hoe men lesgeeft, hoe men de methode van een wetenschap overdraagt ​​aan jonge geesten. Ik plaatste mezelf altijd in de positie van een academisch docent en gaf vanuit dat perspectief mijn goedkeuring of afkeuring van de inspanningen van gerenommeerde docenten. Zo streefde ik er meer naar om te leren hoe ik een docent moest zijn dan om te leren wat er gewoonlijk aan universiteiten wordt onderwezen. Ik werd altijd gedreven door het besef dat ik ooit de kennis zou bezitten die van een academicus wordt verwacht, en ik vertrouwde erop dat ik door mijn eigen gedrevenheid en volgens mijn eigen systeem zou vergaren wat de moeite waard was om te weten. En mijn ervaring heeft dit vertrouwen tot nu toe bevestigd. Mijn doel is om een ​​echt praktische docent te worden en bovenal om bij jongeren de nodige voorzichtigheid en zelfreflectie op te wekken die hen in staat stelt het waarom, wat en hoe van hun vakgebied voor ogen te houden.

Het valt niet te ontkennen dat er een filosofisch element in dit perspectief schuilt. De jongeman moet eerst die staat van verwondering betreden die wel de philosophon pathos kat exochên* wordt genoemd. Nadat het leven zich voor hem heeft ontvouwd als een reeks raadsels, moet hij zich bewust, maar met strenge berusting, houden aan wat mogelijk is te weten en naar zijn vermogen te kiezen in dit immense rijk. Hoe ik tot dit standpunt ben gekomen, zal ik eerst uitleggen. Hier verschijnt dan ook voor het eerst de naam Schopenhauer op deze pagina’s.

Carl von Gersdorff

Persoonlijke tegenslagen en onaangename ervaringen hebben de neiging een meer algemeen karakter aan te nemen bij jongeren, vooral als ze verder alleen vatbaar zijn voor dyscolisie*. In die tijd bevond ik me in een niemandsland, alleen en zonder steun, gebukt onder pijnlijke ervaringen en teleurstellingen, zonder principes, zonder hoop en zonder één enkele prettige herinnering. Mijn streven van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat was om een ​​eigen, aanpasbaar leven op te bouwen; daartoe brak ik de laatste steunpilaren af ​​die me nog aan mijn verleden in Bonn bonden; Ik verbrak de band tussen mezelf en die verbinding. In de prettige afzondering van mijn appartement lukte het me mezelf te herpakken; en als ik vrienden ontmoette, was dat altijd met Mushacke en von Gersdorff, die op hun beurt dezelfde doelen nastreefden.

Stel je nu eens voor hoe het lezen van Schopenhauers belangrijkste werk me in zo’n toestand moet hebben beïnvloed. Op een dag vond ik dit boek in de antiquarische boekhandel van de oude Rohn, pakte het op alsof het me volkomen onbekend was en bladerde erdoorheen. Ik weet niet welke demon me influisterde: “Neem dit boek mee naar huis.” In ieder geval gebeurde het tegen mijn gewoonte in om niet overhaast boeken te kopen. Thuis liet ik me met mijn pas verworven aanwinst op de bank vallen en liet ik die energieke, sombere genie zijn magie op me uitoefenen. Hier schreeuwde elke regel om verzaking, ontkenning en berusting; hier zag ik een spiegel waarin ik het wereldse leven en mijn eigen ziel in angstaanjagende grootsheid aanschouwde. Hier staarde het onbevooroordeelde oog van de kunst mij aan; hier zag ik ziekte en genezing, ballingschap en toevlucht, hel en hemel. De behoefte aan zelfkennis, ja, zelfvernietiging, greep me hevig aan; de rusteloze, melancholieke dagboeknotities uit die tijd, met hun nutteloze zelfbeschuldigingen en hun wanhopige verlangen naar de heiliging en transformatie van de gehele menselijke kern, getuigen nog steeds van die omwenteling. Door al mijn kwaliteiten en aspiraties voor te leggen aan een forum van een sombere zelfverachting, was ik bitter, onrechtvaardig en ongeremd in de haat die ik tegen mezelf richtte. Ook fysieke kwellingen ontbraken niet. Zo dwong ik mezelf bijvoorbeeld veertien dagen achter elkaar om pas om 2 uur ’s nachts naar bed te gaan en precies om 6 uur ’s ochtends weer op te staan. Een nerveuze opwinding greep me aan, en wie weet tot welke mate van dwaasheid ik zou zijn afgedaald als de verleidingen van het leven, de ijdelheid en de dwang van regelmatige studie er niet tegenin waren gegaan.

Het was in deze periode dat de filologische vereniging werd opgericht. Op een avond werden enkele oud-studenten van Bonn, waaronder ikzelf, uitgenodigd bij Ritschl. Na het diner moedigde onze gastheer ons enthousiast aan om na te denken over het idee dat de basis vormde voor de filologische vereniging. De vrouwen waren in de aangrenzende kamer, dus niets stoorde de levendige man in zijn betoog, terwijl hij uit ervaring sprak over de effectiviteit en invloed van dergelijke verenigingen. Het idee wortelde bij ons vieren – dat wil zeggen, bij Wisser, Roscher, Arnold en mijzelf. We keken rond in onze kennissenkring en nodigden vervolgens een select groepje uit naar de “Deutsche Bierstube” (Duitse Bierhal) om de vereniging officieel op te richten. Acht dagen later hielden we onze eerste reguliere bijeenkomst. De eerste zes maanden hadden we geen voorzitter, en aan het begin van elke clubbijeenkomst kozen we een van onze eigen leden tot voorzitter. Wat een opwindende, ongeremde debatten volgden! Hoe moeilijk was het om uit het algemene rumoer iets te destilleren dat als de mening van de hele club kon worden beschouwd! Op 18 januari 1866 gaf ik mijn eerste lezing, waarmee ik als het ware mijn debuut maakte in de filologische wereld: ik had aangekondigd dat ik in restaurant Löwe op de Nikolaistraße zou spreken over de laatste editie van Theognidea. Daar, in de gewelfde zaal, kon ik, na mijn aanvankelijke verlegenheid te hebben overwonnen, krachtig en nadrukkelijk spreken, en ik slaagde erin het grootste respect van mijn vrienden te oogsten voor wat ik had verteld. Verrassend en gelouterd keerde ik laat die avond naar huis terug en ging aan mijn bureau zitten om kritische woorden in mijn boek met reflecties te schrijven en, voor zover mogelijk, de ijdelheid die ik op de tafel van mijn geweten had ervaren, te verhullen.

Professor Friedrich Wilhelm Ritschl (1806-1876)

Deze gunstige uitkomst gaf me de moed om mijn werk, zoals het was – in folio, en in z’n geheel grondig geannoteerd – op een middag naar Ritschl te brengen, aan wie ik het schuchter overhandigde in het bijzijn van Wilhelm Dindorf. Later vernam ik hoe onaangenaam en lastig dergelijke eisen voor Ritschl waren. Het volstaat te zeggen dat hij het werk accepteerde, wellicht beïnvloed door Dindorfs aanwezigheid. Een paar dagen later werd ik op zijn kantoor geroepen. Hij keek me aandachtig aan en vroeg me te gaan zitten. “Met welk doel,” vroeg hij, “heb je dit werk geschreven?” Ik antwoordde het voor de hand liggende, dat het als basis voor een lezing voor onze vereniging zijn doel al had gediend. Vervolgens informeerde hij naar mijn leeftijd, mijn studiejaren, enzovoort, en toen ik hem dat had verteld, verklaarde hij dat hij nog nooit zoiets had gezien van een derdejaarsstudent, noch wat betreft de rigoureuze methode, noch wat betreft de zekerheid van de combinatie. Daarop drong hij er bij me op aan de lezing te bewerken tot een klein boekje en beloofde hij me te helpen bij het verkrijgen van enkele vergelijkende voorbeelden. Na deze gebeurtenis schoot mijn zelfvertrouwen omhoog. Rond het middaguur maakten mijn vrienden en ik een wandeling naar Gohlis. Het was prachtig en zonnig weer, en mijn geluk was voelbaar. Eindelijk, in de herberg, waar koffie en pannenkoeken voor ons stonden, kon ik me niet langer inhouden en vertelde ik mijn vrienden, die met oprechte verbazing luisterden, wat me was overkomen. Een tijdlang dwaalde ik verdwaasd rond; het was het moment waarop ik geboren werd om filoloog te worden, en ik voelde de doorn van de lof die ik in deze carrière kon gaan plukken.

Ik lijk vooral één persoon in mijn omgeving met mijn ervaring te hebben geïmponeerd. Dat was de jonge Gottfried Kinkel, met wie ik vanaf dat moment nauwer contact kreeg. Ik moet een paar dingen zeggen over deze vreemde kerel: een klein, tenger mannetje met een oud, baardloos gezicht. Toch bezat hij een soepelheid in zijn bewegingen die suggereerde dat hij veel tijd met vrouwen had doorgebracht. Een typisch Engelse onverschilligheid en apathie ten opzichte van iets wat hij liever negeerde. Maar wat vooral opmerkelijk was, was dat hij, hoewel hij zelf in bescheiden omstandigheden leefde en als filoloog weinig meer deed dan semi-mechanische taken, toch alles om zich heen als door een vergrootglas bekeek, vooral zijn vrienden. Wanneer hij een van ons begon te beschrijven dan zagen we onszelf in hyperbolische figuren en onder luid gelach veranderen. Enfin, zo was hij nu eenmaal, en hij koesterde zich waarschijnlijk tevreden in de glans van zijn zelfgeschapen sterren. We nodigden elkaar vaak uit, speelden samen muziek en voerden gesprekken over de doelstellingen van de filologie. Hij, die altijd de politieke principes van zijn vader koesterde, hij die af en toe lezingen gaf bij arbeidersverenigingen, stond erop dat politieke doelen op de achtergrond bleven, terwijl ik, op mijn eigen manier, de onbaatzuchtige waardigheid van de wetenschap verdedigde. Plotseling veranderde hij van gedachten, stond op, pakte mijn rechterarm en zwoer vanaf dat moment te leven volgens mijn principes. Onze relatie met hem was een complexe mix van respect, medelijden en verbazing. Hij slaagde er altijd in zijn kleine, ronduit waardeloze wetenschappelijke werkjes voor publicatie gereed te maken, omdat hij ze als kleine meesterwerkjes beschouwde. Ik weet dat hij ook gedichten schreef, en hij leek me vaak zijn creaties te willen laten zien, ware het niet dat ik al die jeugdpoëzie zo fel had afgewezen. Ik beschouwde de leeftijd van zelfkennis voor een jongeman als het moment waarop hij zijn jeugdpoëzie in het vuur werpt, dat heb ik zelf volgens die opvatting in Leipzig gedaan. As waar rust uit ontstaat.

In die tijd dineerden mijn vrienden en ik vaak bij Mahn op de grote Blumenberg, vlak bij het theater. Van daaruit gingen we regelmatig naar Café Kintschy, dat mij bijzonder aantrok. Het werd bezocht door een select groepje stamgasten, waaronder professor Wenzel, die we ‘de Kater’ noemden – een kleine man met een levendige vastberadenheid en wapperend wit haar – en de redacteur van de Leipzig Signals, die we onschuldig het doelwit van onze ondeugende opmerkingen hadden gemaakt voordat we hem kenden. We waren erg gesteld op de aimabele Zwitser Kintschy, een welwillende, verlichte man die met warme gevoelens terugdacht aan zijn vroegere stamgasten Stallbaum, Herloßsohn en Stolle, van wie de portretten aan de ouderwetse bruine muren hingen. Roken was in deze gewelfde ruimtes niet toegestaan; er gebeurde iets heel prettigs met mij. ’s Avonds, en vooral op zaterdag, waren we te vinden in Simmer’s pas geopende wijntaverne. Mijn vriend Mushacke kwam daarheen, net als von Gersdorff, met wie ik veel te bespreken had, nadat hij in Göttingen soortgelijke dingen had meegemaakt en doorstaan ​​als ik in Bonn. Deze twee vrienden waren de eersten op wie ik de volle kracht van de Schopenhauer-energie richtte, omdat ik kon inschatten dat ze ontvankelijk waren voor dergelijke ideeën. Vanaf dat moment voelden we ons alle drie intens verbonden door de magie van die ene naam.

We zochten ook gretig naar andere temperamenten die we in hetzelfde net wilden trekken. Een van hen is opmerkelijk: Romundt uit Stade in Hannover. Met zijn schelle, gênante stem stootte hij mensen aanvankelijk af. En zo was het ook voor mij, totdat ik eraan gewend raakte om voorbij die uiterlijke indruk te luisteren. Hij bevond zich in ongelukkige omstandigheden. Zijn begaafde aard leidde hem nooit naar een specifiek doel om na te streven. De elementen van een onderzoeker, dichter en filosoof waren op een sombere manier met elkaar vermengd, waardoor hij werd verteerd door voortdurende ontevredenheid. Dat zijn ogen ook op de naam van Schopenhauer gericht waren, spreekt voor zich, nadat ik iets over zijn karakter heb gezegd. Bij anderen mislukten mijn pogingen tot bekering volledig. Bijvoorbeeld bij Wisser, in wie aanvankelijk een verwantschap leek te bestaan. Maar hij miste elke neiging tot filosofische contemplatie en de noodzakelijke vooropleiding. Wat me het meest aan hem opviel, was een rusteloze, kwellende ambitie die, omdat ze geen bevrediging vond, zijn hele wezen, en met name zijn zenuwstelsel, in beroering bracht. Hij verlangde ernaar iets te ontdekken op zijn vakgebied en was soms verrukt over een zogenaamd belangrijke vondst, waarin wij, bij nader onderzoek, niets dan waardeloos materiaal konden ontdekken. Hij had daarnaast een charmante affiniteit met kinderen en ouderen en voelde zich het meest op zijn gemak in eenvoudige, landelijke omgevingen waar hij gewaardeerd kon worden. Hij plaagde ons soms met een nieuwe analyse van de proloog van het Johannes-evangelie, soms met fragmenten van Tibullus uit Tibullus, en kon behoorlijk humeurig worden, omdat wij geen enkel nut in zijn pogingen en er ook geen structuur in zagen. Ik hoop dat het beter gaat met deze goedhartige, enthousiaste ziel.

Ik wil van deze gelegenheid gebruikmaken om een ​​paar andere mensen te noemen die ik heb ontmoet. Allereerst denk ik aan Hüffer, die onze twee kennissen, Romundt en Wisser, voortdurend en op een eigenaardige manier plaagde en tergde, waarmee hij Wissers vijandschap en Romundts vriendschap verdiende. Een getalenteerde man, die door de natuur het concept van een slank figuur was ontzegd, wijdde zich met grote ijver aan de schone kunsten, met name de muziek. Hij vertaalde bekwaam uit het Frans en, zeer rijk als hij was, zwom hij rustig tegen de stroom van de literatuur in. We waren het altijd oneens over muzikale zaken; vooral wat betreft de betekenis van Wagner, daarover bleven we altijd gefrustreerd. Ik geef nu toe dat zijn muzikale oordeel en gevoeligheid verfijnder en vooral gezonder waren dan die van mij. Maar destijds kon ik dat niet inzien en voelde ik veel pijn door zijn meedogenloze tegenspraak. Over het algemeen zorgde zijn ongeremde aard vaak voor wrijving. Zo waren we bijvoorbeeld eens samen uitgenodigd bij de familie Ritschl thuis. Hüffer liet zich met zijn brede lijf in een fauteuil zakken en toen die kraakte onder het onbekende gewicht, riep hij vrolijk uit: “O, het is niet koosjer!” – een woord dat mevrouw Ritschl, een gedoopte Joodse vrouw, ongetwijfeld diep moet hebben beledigd. Hij had een soortgelijke ervaring toen we eens openhartig op het eerste balkon van het theater in Leipzig zaten te praten over een zanger die de dag ervoor had opgetreden. We prezen haar zang, maar des te meer waren we ontstemd over haar merkwaardig lelijke gezicht, waarvan Hüffer de eigenaardigheid luid en fel beschreef in verschillende illustraties. Wat een gevoel was het toen een dame, die drie passen schuin voor ons stond, zich kalm omdraaide en haar gezicht – dat merkwaardig lelijke gezicht – naar de recensenten richtte! Geërgerd dat we iemand onnodig hadden gekwetst, verbeterden we onze situatie niet door haar na de voorstelling een boeket met het opschrift ‘De Roos van de Nachtegaal’ te sturen. Al snel werd een bekwame bediende ingehuurd die ons later, tijdens ons diner in de Italiaanse tuin, vermaakte met zijn verhaal over hoe hij de verblijfplaats van de dame had achterhaald.

Sinds de dag dat Ritschl mijn Theognis-documenten zo gunstig had beoordeeld, was ik dichter bij hem komen te staan. Bijna wekelijks, een paar keer ’s middags, ging ik hem opzoeken en trof hem altijd bereid tot een serieus of luchtig gesprek. Hij zat meestal in zijn fauteuil met de Keulse krant voor zich, die hij, samen met de krant uit Bonn, nog steeds uit oude loyaliteit las. Een glas rode wijn stond doorgaans op tafel naast een chaotische stapel papieren. Als hij werkte, gebruikte hij een stoel die hij zelf had gestoffeerd door het stiksel van een gekregen kussen te verwijderen en het vast te spijkeren aan een gammele, houten kruk zonder leuning. In zijn gesprekken was hij volkomen ongeremd; zijn woede jegens zijn vijanden, zijn ontevredenheid over de status quo, de tekortkomingen van de universiteit, de excentriciteiten van de professoren – alles stroomde eruit, waardoor hij misschien wel het tegenovergestelde van een diplomatieke aard vertoonde. Hij maakte ook grapjes over zichzelf, bijvoorbeeld over zijn gebrekkige zuinigheid, hoe hij het geld dat hij ontving – in biljetten van 10, 20, 50 en 100 Thaler – in boeken verstopte, om het vervolgens weer terug te vinden. Dat het verstoppen van boeken soms tot vreemde situaties leidde, dat sommige arme studenten verrast waren door een geschenk waarvoor het nauwelijks gepast was om dankbaarheid en acceptatie te uiten – dit vertelde zijn vrouw ons vaak, en vader Ritschl moest dat met een ietwat beschaamde blik beamen. Zijn ijver om anderen te helpen was werkelijk magnifiek; en daarom voelden zoveel jonge filologen zich, naast de steun die ze hem op wetenschappelijk gebied verschuldigd waren, ook persoonlijk aan hem verbonden. Hij overschatte zijn vakgebied absoluut en had daarom een ​​hekel aan filologen die zich te diep in de filosofie verdiepten. Omgekeerd streefde hij ernaar zijn studenten zo snel mogelijk nuttig te maken voor de wetenschap; daarom had hij de neiging om hun neiging veel te produceren iets te veel aan te moedigen. Hij was vrij van elk wetenschappelijk dogma en hij ergerde zich met name aan een onvoorwaardelijke, kritiekloze acceptatie van zijn visie.

In Wilhelm Dindorf trof ik een totaal ander karakter aan. Op een dag vroeg Ritschl me of ik bereid was een project op me te nemen voor een aanzienlijk bedrag, een project dat van grote waarde zou zijn voor de wetenschap. Ik antwoordde dat ik daar niet afwijzend tegenover stond, mits ik er zelf ook van kon profiteren en iets wezenlijks kon leren. Ritschl vertrouwde me toen toe dat professor Dindorf graag een nieuwe index van Aeschylus wilde maken en dat hij dat met me wilde bespreken. Voor het eerst in mijn leven bevond ik me in groot gevaar, van een kant die mij graag wilde hebben. Dus ging ik op een avond naar Dindorfs huis, en nadat ze me eerst probeerden wijs te maken dat de professor niet thuis was, werd ik uiteindelijk binnengelaten nadat ik mijn naam had genoemd. Een sterke man met perkamentachtige gelaatstrekken en formele hoffelijkheid, een persoonlijkheid die een ouderwetse indruk maakte, maar wiens onderzoekende, schijnbaar onbeweeglijke ogen een eigenschap verraadden die om waakzaamheid vroeg: zo’n man opende de deur voor me en leidde me een ouderwetse Frankische kamer binnen. We probeerden tot een overeenstemming te komen over de taak die voor ons lag. Hij vroeg me om een ​​voorbeeld, dat ik beloofde te leveren. Bij latere bezoeken, nadat hij mijn werk over Theognis had leren kennen, werd ik wantrouwig tegenover hem vanwege de vrije, zelfs brutale manier waarop hij me prees, en zijn terloopse opmerkingen, die een sterk maar onethisch pessimisme verraadden; aan de andere kant scheen er een weerzinwekkend commercieel egoïsme doorheen. Zijn gezeur over vermoedens, zijn heen-en-weergaande verkoop van zijn edities aan Duitse en Engelse boekhandelaren, en vooral zijn associatie met de beruchte vervalsingen van Simonides, maakten me geleidelijk aan wantrouwig, zodat ik me uiteindelijk van hem terugtrok en alle voorstellen die ik had gedaan liet vallen. Uiteindelijk was zelfs Ritschls raad, die zelf had geleden onder diverse vermeende gunsten van Dindorf, het niet met hem eens.

Konstantin von Tischendorf (1815-1874)

Later leerde ik ook Dindorfs meest vastberaden tegenstander kennen, de alom bekende Tischendorf. Verschillende perkamenten bladen uit diverse eeuwen, waaronder een palimpsest uit de nalatenschap van professor Keil, waren mij toevertrouwd. Ik moest namens zijn weduwe de potentiële waarde ervan vaststellen. Ik greep deze gelegenheid aan om in contact te komen met een man die in het buitenland buitengewone faam had verworven als vertegenwoordiger van de Duitse wetenschap, maar die daardoor zijn reputatie binnen de kring van Duitse geleerden volledig had verloren. Ik wist met wie ik te maken had toen ik op een avond in een rustige, afgelegen straat naar zijn naam vroeg. De “hofraadsman” was afwezig en ik zou zijn weggestuurd als ik de bediende, en later zijn vrouw, niet overtuigend had uitgelegd dat hij elk moment kon arriveren. Zo kreeg ik toegang tot zijn studeerkamer, waar ik niets wetenschappelijks aantrof; enveloppen en Griekse bijbelteksten lagen verspreid. Daarentegen wordt er gesproken over een compartiment waar de complete werken van de grote man worden bewaard, en over een kast die bestemd zou zijn voor de talloze orden en onderscheidingen waarmee vorsten en academies de gelukkige hebben geëerd. Toen hij daar verscheen, de kleine, ietwat gebochelde man met een fris, roze gezicht en krullend zwart haar, legde ik hem mijn verzoek voor, dat hij terecht als een kleinigheid beschouwde, maar waarmee hij eveneens twee aspecten van zijn karakter onthulde. Zodra hij een vel papier zag met het voorbeeldige, prachtige Griekse cursieve schrift uit de 11e eeuw, beweerde hij stoutmoedig dat hij het andere, bijpassende stuk ook bezat, zonder echter enig bewijs te leveren. Toen ik hem wees op het volledig vervaagde schrift op een ander vel, waar slechts een paar verspreide letters met een ingespannen oog te onderscheiden waren, las hij, net zo snel als hij stoutmoedig deed, een woord voor van een plek waar ik bijna niets kon zien. Dit woord, beweerde hij, kwam slechts één keer voor in het Evangelie van Marcus en zou daarom bewijzen dat we te maken hadden met een passage uit dat Evangelie. Ik was innerlijk verheugd over deze goocheltruc, net zoals hij op zijn beurt ongetwijfeld blij was met zo’n schijnbaar briljant staaltje vindingrijkheid.

Naarmate ik hem beter leerde kennen, begon hij me een aantal uitstekende bladen te laten zien en tegelijkertijd mijn interesse voor zijn aangekondigde lezing over paleografie tot het uiterste op te wekken. Dit was inderdaad de lezing die ik met grote belangstelling bijwoonde, hoewel er absoluut niets te leren viel over methode en systematische presentatie. Of deze lezing nu paleografie* of “Tischendorfs Ervaringen en Herinneringen” genoemd moest worden, was discutabel. In elk geval was de lezing doordrenkt met een zekere haute goût*, wat des te aantrekkelijker was gezien het feit dat het van een voorstander van vrome theologie kwam. Een belangrijk punt was Tischendorfs minutieus gedetailleerde beschrijving van de vervalsingen van Simonides en de ontmaskering ervan. Ondanks het gebrek aan principes in de lezing, waren de tussendoor geplaatste opmerkingen en observaties van immense waarde voor paleografen, omdat er nooit een man is geweest, en er ook nooit zal zijn, die, zoals Tischendorf, 200 Griekse manuscripten van vóór de 9e eeuw met een geoefend oog heeft onderzocht en bestudeerd voor paleografische doeleinden. Tegelijkertijd bezat hij de meest waardevolle voorbeelden en bewijsstukken van allerlei schriftsoorten, en hij wist ook onze nieuwsgierigheid te prikkelen door te wijzen op verborgen schatten die ergens nog onaangeraakt lagen te sluimeren. Hij lokte ons met de belofte van een kostbare papyrus vol prachtige Homerische passages, die zich zogenaamd in het bezit bevond van een Engelsman in Alexandrië, maar die alleen bestemd was voor de verloofde van zijn dochter, een bruinharige vrouw van middelbare leeftijd. Hij vertelde me ook over een nog ongebruikt palimpsest in Napels. Dankzij zijn bemiddeling kreeg ik aan de universiteit toegang tot deze ongelezen palimpsesten, die, onder een ruw Syrisch schrift, de tekens van de 7e eeuw bevatten. In deze ongeveer 30 bladen liggen de overblijfselen van een Griekse grammaticus die zich, zo lijkt het, bezighoudt met peri ortographias*. Ik moet ook vermelden dat ik er een fragment van drie woorden van Hesiodus tussen vond.

I] MEPOENT A METEIXE….

MÊDEA ÔS ÊSIODOS*

Privé was Tischendorf onuitputtelijk in uitbarstingen van de meest naïeve en onbesmette ijdelheid. Hij was er bijzonder trots op dat de grote Duitslandhater Cobet zich ten gunste van hem uitliet. “Alle Duitse filologen snappen er niets van,” zou hij hebben gezegd, “jij bent de enige die er echt verstand van heeft.” Toen Hermann hem eens iets vroeg, antwoordde Cobet niet eens. Maar aan mij schreef hij “vurige liefdesbrieven”. Zo praatte hij over zijn vrienden, over wier onwetendheid op paleografisch gebied hij op andere momenten dan weer grappen maakte. Tischendorfs ijdelheid is pijnlijk en weerzinwekkend, maar na twee minuten hem te hebben meegemaakt besef je dat je te maken hebt met een psychisch probleem. Verschillende uiteenlopende karaktertrekken zijn aanwezig in deze man: buitengewoon intelligent en welbespraakt, zelfs diplomatiek slim, enthousiast, frivool, zeer scherpzinnig in zijn vakgebied, nauwgezet in zijn publicaties, grenzeloos naïef ijdel, gierig, een verdediger van het geloof, een edele man, een speculant in het boekenvak: voilà, een kort overzicht van zijn karaktertrekken, die er kleurrijk genoeg uitziet. In ieder geval een psyche poikile*.

Rathaus van Leipzig rond 1900

Tijdens de tweede winter die ik in Leipzig doorbracht, wijdde ik me ijverig aan paleografische studies. Via Ritschl had ik vrijwel onbeperkte toegang gekregen tot de manuscriptenschatten van de stadsbibliotheek van Leipzig en voelde me daar, dankzij de hoffelijkheid van de bibliothecarissen, zeer op mijn gemak. In de schemerige zaal van het Gewandhaus zat ik ’s middags vrolijk aan de lange groene tafel, met een Latijns manuscript voor me, of het nu een van Terentius, Statius of Orosius was. Ik voelde me ook erg aangetrokken tot de Raadsels van Aldhelmus, waarvan ik waardevolle en talrijke varianten ontdekte. Aan een 11e-eeuwse Orosius-codex, die uit dezelfde eeuw stamde, was een soort woordenregister gehecht, met verspreide Duitse woorden, bijvoorbeeld steofvater, frosco snebal, rocchen (colo), enz. Tussen de rijke verzameling oudere gedrukte werken viel mijn oog op een werk van Walter Burley, dat in bibliografische handboeken niet voorkomt: Walter Burley, De Vita Philosophorum*, in de stadsbibliotheek van Leipzig, zonder auteursnaam of datum, 7 indexbladen, twee kolommen, 50 tekstbladen, 50 bladen rechts 1 kolom expliciet Gotisch schrift.

Hier moet ik ook de buitengewone hoffelijkheid vermelden waarmee het personeel van de universiteitsbibliotheek mij altijd behandelde. Hun opstelling deed me denken aan de veelgeprezen Saksische beleefdheid en behulpzaamheid, maar dan zonder de nadelen er van. Mijn boekverzoeken werden vaak met de nodige tijd en moeite door deze voortreffelijke heren ingewilligd; ze toonden nooit enige onvrede wanneer ik te vaak of met te veel verzoeken langskwam. Ik noem de naam van professor Pückert in het bijzonder met waardering.

In onze filologische vereniging heb ik vier belangrijke lezingen gegeven, namelijk:

1. De definitieve tekstversie van de Theognidea

2. De biografische bronnen van de Suidas

3. De pinakes* van Aristoteles’ geschriften

4. De Sängerkrieg auf Euboea

Deze onderwerpen karakteriseren grofweg de hoofdrichtingen van mijn onderzoek. Ik moet opmerken dat ik voor het derde punt de bronnenkritiek van Laertius als basis heb gebruikt. Ik voelde me vanaf het begin aangetrokken tot deze studie; zelfs in mijn eerste semester in Leipzig verzamelde ik al materiaal hierover. Ik heb Ritschl er ook veel over verteld. Zo gebeurde het dat hij me op een dag, met een mysterieuze hint, vroeg of ik ook onderzoek naar de bronnen van Laertius zou willen doen als ik een specifieke suggestie van een andere bron zou krijgen. Ik heb lang geworsteld met de betekenis van zijn woorden, totdat ik in een moment van inzicht zeker wist dat de volgende prijsvraag van de universiteit precies die vraag als onderwerp zou hebben. Op de ochtend dat de thema’s werden gepubliceerd, haastte ik me naar Kintschy en zcht gretig in de Leipziger Nachrichten; en jawel, daar viel mijn oog op de langverwachte woorden De fontibus Diogenis Laertii*. De daaropvolgende tijd hield ik me vrijwel dag en nacht bezig met de betreffende vraagstukken; de ene combinatie volgde de andere, totdat ik uiteindelijk, tijdens de kerstvakantie, die ik gebruikte om de tot dan toe behaalde resultaten te evalueren, plotseling het besef kreeg dat er een duidelijk verband bestond tussen de vraagstukken van Suidas en Laertius.

Die avond, toen ik dit inzicht kreeg, verwonderde ik me over de gelukkige samenloop van omstandigheden dat ik eerst de bronnen van Suidas had onderzocht, en vervolgens die van Laertius, alsof ik door een zeker instinct werd gedreven, en nu plotseling de touwtjes van beide vraagstukken in handen had. Hoe snel en behendig ik ook vorderde met mijn combinatie van dag tot dag, hoe moeilijker het voor me werd om mijn resultaten daarna verder uit te werken. Maar de tijd drong steeds meer; en toch gleed de prachtige zomer voorbij met een vrolijk genot en in het gezelschap van mijn vriend Rohde, terwijl nieuwe wetenschappelijke interesses me begonnen te kwellen en me dwongen tot voortdurende reflectie. Bovenal de Homerische kwestie, waar mijn laatste lezing in de club met volle kracht naartoe voer. Eindelijk, toen er geen uur meer te verliezen was, ging ik aan de slag met Laertius en schreef mijn bevindingen zo eenvoudig en bondig mogelijk op. De vreselijke laatste dag van juli brak aan; ik zette alles op alles en wist om 10 uur ’s avonds met het voltooide manuscript naar Rohde’s huis te rennen, in de donkere, regenachtige nacht. Daar wachtte mijn vriend me al op en had wijn en glazen voor me klaarstaan.

Erwin Rohde (1845-1898)

Rohde gebruikte ooit in een brief aan mij de beeldspraak dat we, in zekere zin, tijdens het afgelopen semester op een verhoogde kruk hadden gezeten. Dat klopt helemaal, maar het drong pas tot me door nadat het semester voorbij was. Heel onbedoeld, maar geleid door een zeker instinct, brachten we het grootste deel van de dag samen door. We werkten niet echt in die platvloerse zin van het woord, en toch beschouwden we elke dag die we samen doorbrachten als een winstpunt. Ik heb dit maar één keer eerder meegemaakt: een ontluikende vriendschap met een ethisch-filosofische basis. Meestal zijn het dezelfde academische paden die mensen samenbrengen. Onze vakgebieden lagen echter behoorlijk uiteen, we waren alleen verenigd in onze ironie en spot met filologische manieren en ijdelheden. We discussieerden voortdurend; sterker nog, er waren bijzonder veel dingen waarover we het oneens waren. Maar zodra het gesprek over diepere onderwerpen ging, verstomde de onenigheid van meningen en klonk er een kalme en volkomen harmonie. Maar is het bij de meeste vriendschappen en kennissen niet juist andersom? En is het niet juist hierom dat jonge mensen vaak bittere teleurstellingen moeten ervaren? Daarom denk ik nu met veel plezier terug aan die hele tijd en herinner ik me vaak de beelden van die vrolijke avonden op de schietbaan of die rustige uurtjes in een prachtig hoekje van de Pleiße, waarvan we als kunstenaars samen genoten, even los van de onrustige drang om te leven en toegewijd aan pure beschouwing.

Ik heb net gemerkt dat ik bij het beschrijven van mijn verleden in Leipzig nogal willekeurig van de hak op de tak spring en mensen en semesters door elkaar haal. Voor mijn eigen gemak noteer ik de belangrijkste gebeurtenissen per semester in de vorm van een index.

Semester 1, okt. 1865 – okt. 1866.

Winter. Woning bij Rohn, Blumengasse 4 im Garten

Ik maak kennis met Schopenhauer.

Ik componeer het “Kyrie”.

Het ‘Buch der Betrachtungen’

Oprichting van de vereniging.

Lezing over Theognidea.

Kennismaking met Ritschl.

Omgang met Mushacke en von Gersdorff.

Neef Schenkel.

Riedel Vereniging: Johannespassie, Hoogmis.

Th. von Arnold, toekomstmatinees.

De Saksische koning in Leipzig.

Kroegbijeenkomsten van filologen uit Leipzig.

Productieve paasvakantie.

Semester 2, oktober 1866 – oktober 1866.

Zomer. Woning bij Riedig, Elisenstrasse 7, begane grond.

Politieke agitatie.

Beoordeling van Bismarck in Leipzig.

De Deutsche Krieg.

De inval van de Pruisen in Leipzig.

Verandering van politieke overtuigingen.

Lezing over de bronnen van Suidas.

Uitwerking van de Theognidea voor het Rijnlands Museum tijdens de Sadowawoche.

Hedwig Raabe in Leipzig.

Contact met Romundt, Windisch, Röscher, Hüffer, Kleinpaul.

Boottochten.

Verzoek van Dindorfs.

Vakantie in Kösen tijdens de vlucht voor cholera.

Lesgeven.

Een poging om een ​​systeem te ontwikkelen voor de interpolaties in Griekse tragedies.

Derde semester.

Fontibus Laertii

De resultaten worden met Kerstmis gevonden. Verhandeling over de werken van Aristoteles geschreven.

Exemplaren vergeleken in de stadsbibliotheek.

Kennismaking met Tischendorf.

Voorzitter van de Filologische Vereniging.

Lid van de Filologische Vereniging.

Onomatologische studies.

Vierde semester. Pasen 1867 tot herfst 1867.

Zomer. Woning aan de Weststrasse 59. 

Nachten in het Schützenhaus.

Omgang met Rohde en Kleinpaul.

Afronding van de dissertatie over Laertius.

Lezing Sängerkrieg auf Euboea. Conjecturen avond bij Simmer.

Rijlessen met Rohde bij Bieler. 

Laatste clubbijeenkomst. 

Offenbachs prachtige Helena. 

De laatste dagen verbleef ik in de Italiaanse tuin, een verdieping hoger dan Rohde. 

De vrienden voor de laatste keer uitgenodigd in ons huis. 

Afscheid van het studentenleven. 

Genieten van de natuur. “Nirvana.”

Afscheid van Ritschl. 

Uitstapje naar het Beierse Woud met Rohde

Toelichting van enkele termen uit de tekst van Nietzsche

* philosophon pathos kat exochên = pathos in de hoogste graad
* dyskolia = verdrietige ontevredenheid
* Paläographie = de wetenschap betreffende historische handschriften
* haut goût = uitgesproken verfijnde smaak
* peri ortographias = over de juiste schrijfwijze (klassiek Grieks werk)
* I] MEPOENT A METEIXE….MÊDEA ÔS ÊSIODOS = foutieve verwijzing naar een Grieks citaat
* psychê poikilê = de gevarieerde ziel
* De Vita Philosophorum (volledig; De vita et moribus philosophorum) een werk van Walter Burley
* pinakes = de catalogus van de bibliotheek van Alexandrië
* de fontibus Diogenis Laertii = een scriptie van Nietzsche
* Isolierschemel = een soort kruk/verhoging
* banausischen Sinne = een platvloerse houding die de waarde van kunst, literatuur of esthetiek ontkent (een Banause zouden we als ‘cultuur-barbaar‘ kunnen vertalen)


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.